Deel 6 (einde)

‘Ik vind het echt heel erg naar wat er gebeurd is. Na zo’n noodmaatregel is het overigens wel de bedoeling dat we gezamenlijk het gesprek aangaan in het kader van de BOPZ.’ Ik knik, hoewel dat telefonisch weinig zinvol is. ‘Eh ja. Is goed, mail maar wat data. Gaat het nu wel weer goed met hem?’ Ontdaan hang ik even later op. Vijftig minuten hebben ze hem met twee volwassenen moeten fixeren tot hij gekalmeerd was. Vijftig. Bijna een vol uur.

De dag ervoor is hij aangevallen door een medebewoner, die eerst zijn geliefde zonnebril kapot maakte en vervolgens fysiek werd, ogenschijnlijk uit het niets. Hoewel mijn zoon zelf ook heftige gedragsproblemen heeft, is wederkerigheid in contact moeilijk voor hem. Ook als het om agressie gaat. De reactie op zoiets heftigs komt altijd met veel vertraging, maar is minstens zo heftig.

Ik kijk voor me uit, naar de tuin die is omgespit en opnieuw beplant sinds hij weg is. Waar ik zorgvuldig ieder onkruidje met m’n handen uit trek. Mijn tuin is nooit zo netjes geweest, mijn zolder nooit zo opgeruimd en ik heb zowaar al 5 boeken kunnen lezen omdat ik niet meer de hele dag hoef op te letten. Waar hij is, wat hij doet, waar z’n broertjes zijn, of ik eerder bij z’n broertjes kan zijn dan hij, of de deur op slot zit, wat dat geluid is, of alles dat breekbaar is wel is opgeborgen. Zeeën van tijd en energie heb ik opeens over. En toch mis ik hem iedere dag, mijn knuffelbuffel met z’n grote bruine ogen. Het gekraak van de zoldertrap als hij met z’n kussen en knuffel naar mijn kamer kwam om naast me te kruipen. Zijn ‘even een lekkere kruffel [knuffel] geven mama’. Ik mis zelfs die ellendige liedjes van Ernst en Bobbie. Iedere dag een beetje meer.

Na 4,5 maand is hij gewend op zijn groep. Hij is er gelukkig en wekt doorgaans een tevreden indruk. Hij gaat naar de danssoos, hij drinkt ruig een fanta op vrijdagavond bij het trefpunt en om de week mag hij op het paard rijden waarnaar hij vanuit zijn slaapkamer zwaait. Ook zijn broertjes zitten beter in hun vel en ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik niet geniet van de weldadigheid van nachten kunnen doorslapen en van de ontspanning die er heerst in huis. Ik voel me beter maar volledig verloren.

Vijftig minuten. Wat moet hij overstuur zijn geweest. En ik, ik was er weer niet om hem te troosten. Ik sla m’n ogen op en vraag in stilte aan de blauwe lucht wanneer het eindelijk leven wordt in plaats van overleven.

Advertisements

Deel 5

Vandaag een maand geleden verhuisde hij. Al een maand. Pas een maand. Ik hou me staande, soort van, maar onder de oppervlakte borrelt en draait een verdriet en gemis zo groot dat ik het niet durf toe te laten. De angst dat ik erdoor word overspoeld en meegesleurd is te groot. Ik durf niet te huilen omdat ik niet weet of ik het weer kan laten stoppen. Verdrinken kan ik me niet permitteren.

Het eerste weekend ben ik het huis ontvlucht, het derde weekend dronk ik in 1,5 uur een fles wijn leeg die er net zo hard weer uitkwam. Ik hou helemaal niet van alcohol en drink dan ook zelden. Het is niet dat ik slechte coping niet herken als ik het in de wc-pot zie liggen, dus daar heb ik het bij gelaten. De maatschappelijk werkster waarbij ik de ergste dagen en nachten oversla, zegt dat ik het tijd moet geven. Tijd. Er zijn momenten geweest dat het leven nog veel meer pijn deed dan nu en toen zeiden ze dat ook steeds, van die tijd. Het bleek slechts ten dele waar dus ik geloof het nu ook maar half.

Mijn jongste twee kinderen echter beginnen zichtbaar op te bloeien, wat fijn is maar ook moeilijk. Misschien zijn ze toch meer tekortgekomen dan ik dacht. De vreugde in hun ogen toen ze met wel drie kinderen uit de buurt mochten gamen binnen (waar eerder meer dan één niet kon omdat dat teveel kinderen zijn om schadevrij te houden) was bijna tastbaar. Ze proeven aan een voor hen ongekende nieuwe vrijheid, die ik wel begrijp maar niet voel.

Vandaag een maand. Hij vindt het er best wel leuk, al test hij uiteraard de grenzen uit. Hij roept niet meer dat hij naar huis wil en helpt graag met eten koken. Als hij naar de dagbesteding gaat legt hij z’n sloffen op de verwarming zodat hij comfortabel kan gamen bij thuiskomt.

Vanavond belde hij, om te vragen of ik hem zondag kom ophalen. Ik antwoordde dat het papa’s weekend is om hem een dagje mee te nemen. Voor het eerst kon hij onder woorden brengen wat hij voelde. ‘Maar ik mis jou heel veel, mama.’

Het heeft gewoon wat tijd nodig.

Deel 4

Ze weten zich alledrie geen houding te geven in de gang. ‘Ik ga weg,’ herhaalt mijn zoon nog maar eens, al klinkt het nu meer als een vraag dan als een mededeling. Zijn jongste broertje geeft hem een van zijn knuffels, de aap met de lange armen. ‘Deze mag je wel meenemen, ik heb er toch genoeg.’ Op het moment dat mijn twee jongsten hun broer wat onwennig omhelzen, realiseer ik me dat ze dat verder nooit doen, elkaar fysieke affectie tonen.

De weg ernaartoe voelt alsof we naar de slachtbank rijden, maar ik houd mezelf voor dat de terugweg vast nog erger is en dat het nu dus best meevalt. De terugweg is inderdaad veel erger. Hij schreeuwde niet en hij vroeg ook niet of hij mee naar huis mocht. Toch lig ik lang wakker van zijn lege blik en mechanische zwaai. Zoveel wat hij niet kan bevatten en hem angst aanjaagt dat zijn geest wat anders is gaan doen. We weten het niet van elkaar maar zowel hij als ik slapen niet, de hele nacht. We missen een stuk van onszelf, we missen elkaar. Het kind wil zijn moeder en de moeder wil haar kind, nooit eerder was de navelstreng tussen ons zo onherroepelijk doorgeknipt. Het doet nog veel meer pijn dan ik dacht.

De volgende ochtend rent hij in een onbewaakt moment naar buiten en klimt over het hek dat speciaal voor hem om het huisje staat. Hij wil naar de bushalte, naar huis. Later, als hij naar de dagbesteding is gebracht, begint hij voor het eerst sinds ik de dag ervoor weg ben gegaan te huilen. Hij wil naar mama en dat is dan ook het antwoord op alle vragen die hem maar gesteld worden. Als dat niet blijkt te kunnen, smijt hij uit frustratie alle spullen die hij in handen kan krijgen naar wie maar in de buurt is. De verse scheiding doet ons allebei zeer tot in onze ziel, maar ik wist wat er komen ging. Voor hem, hij die zich zonder hulp al niet staande kan houden in de wereld die hij kent, moet het nog zoveel angstiger en heftiger zijn. Toch had ik het liefst samen met hem met spullen gesmeten uit woede en verdriet omdat ik het leven op momenten als deze zo verschrikkelijk wreed en ondraaglijk vind.

Het is de tweede nacht en ik lig wederom wakker. Buiten klingelt er iets in de wind. Hij had vanmiddag gejuicht toen hem verteld werd dat hij morgen vrij is. In het lege bed waar ik geen troost vind, huil ik alvast een deel van zijn tranen wanneer hij morgenvroeg ontdekt dat vrij zijn niet betekent dat hij naar huis gaat. Ook morgen geen mama.

Deel 3

In de verte buiten schreeuwt iemand maar binnen is het stil. Ze zitten allebei aan tafel met een groot glas aanmaaklimonade voor zich. De vingers van de jongste tikken zenuwachtig op tafel, terwijl mijn middelste zoon zijn handen krampachtig om het glas drinken klemt. Ik kijk naar hun gezichten en herinner me de bijna niet-aflatende knijpwondjes in het gezicht van de nu 11-jarige het eerste halfjaar van zijn leven. De keer dat mijn nu 9-jarige een eeuwige tel stil op de grond lag, verpakt in de dekentjes waarmee hij uit de kinderwagen gelanceerd was, voordat hij godzijdank begon te huilen en als door een wonder niets bleek te mankeren. Hij zal een maand of 3 geweest zijn. Alle keren dat ik te moe voor ze was, geen tijd voor ze had omdat hun broer mijn aandacht opeiste. Dat ze zich moesten aanpassen, zoals wij allemaal, omdat hij dat nu eenmaal niet kan. Ik denk aan alle uitjes die we niet hebben gemaakt. En nu zitten we hier, in de woning waar hun broer over een paar dagen gaat wonen. Waar anderen voor mijn kind gaan zorgen. Het schuldgevoel naar alledrie mijn zoons weegt zwaarder dan ik dragen kan. Je uiterste best doen is niet altijd genoeg.

Ze hebben allerlei vragen aan de woonbegeleider die speciaal voor ons even naar de woning is gekomen. Of je mag skateboarden in de brede gang (nee). Wat ze gaan doen als hun broer iets wil kijken op tv en een andere cliënt iets anders. Hoe laat hij ‘s ochtends van z’n kamer wordt gehaald (‘hij is een vroege vogel, dat moeten jullie onthouden’). Of het huis energieneutraal is (nee). Of er ook chips en cola is in het weekend (ja). Dat dat goed is maar dat hij liever sinas drinkt. Of de andere cliënten ook zo hard kunnen schreeuwen en boos worden. De woonbegeleider beantwoordt alle vragen geduldig. Het is tijd om te gaan.

Bij de deur draait de 11-jarige zich om. ‘Hij kan echt heel erg vervelend zijn maar hij is eigenlijk een hele goede gozer.’ De woonbegeleider knikt. ‘Ik vind jullie alledrie hele goede gozers.’ Eenmaal buiten huilt hij, terwijl zijn jongere broertje met een strakke blik naar een onbekend punt op de horizon staart. ‘Ik wil niet dat hij weggaat,’ snikt de 11-jarige en ik zie dat de 9-jarige verbeten wat tranen weg knippert. ‘Ik wil wel dat hij weggaat maar ik wil niet dat hij weggaat.’ Ik geef ze allebei een knuffel. Ik had het niet beter kunnen verwoorden.

Deel 2

2006

Onverzettelijk kijken we elkaar aan. ‘Ik wil graag dat jullie me doorsturen om hem te laten testen. Hij is twee en kan nog steeds nauwelijks praten. En hij bijt en knijpt andere kinderen! Ik heb echt het idee dat er iets aan de hand is met hem.’

De vrouw van het consultatiebureau heeft een afwerende trek om haar mond. ‘Ik ben daar niet voor, het is erg de schuld buiten jezelf willen leggen vind je ook niet?’ Ik snuif. ‘Nee, dat vind ik niet.’ ‘Ik kan me best voorstellen dat de opvoeding je misschien wat zwaar valt, je bent nog zo jong. Daar kan ik je wel mee op weg helpen als je wil? Dan leer je bijvoorbeeld hoe je een strafstoeltje kunt introduceren als hij agressief is. Misschien ben je niet streng genoeg. Lees je wel voor? Doe je genoeg met hem? Niet alle kinderen gaan naar het VWO, misschien verwacht je wel teveel van hem.’

Gefrustreerd sta ik even later buiten. ‘Er is iets met je en ik kom erachter wat het is,’ beloof ik de duimende peuter in de buggy. ‘En ik zal zorgen dat je op de plek komt waar ze je kunnen helpen.’

Nu

‘Hij lust geen rijst, maar wel graag bananen. En hij houdt van voetballen en voetbal kijken en basketballen. Hij vindt het fijn als je zijn hoofdhuid een beetje masseert bij het haren wassen en hij heeft snel last van eczeem dus hij moet na het douchen goed ingesmeerd worden. Bij het tandenpoetsen zing ik altijd ‘olifantje in het bos’ en voor het slapengaan lezen we altijd een verhaaltje van Disney of kabouters en…’ De tranen prikken in mijn ogen maar ik bijt liever m’n tong af dan dat deze mensen me zien huilen. Huilen doe ik wel in mijn eigen tijd, straks onder de douche met de straal hard aan zodat het vallende water het geluid van mijn totale wanhoop overstemt en de kinderen me niet horen.

‘Ik snap ook wel dat jullie daar misschien geen tijd voor hebben,’ zeg ik verontschuldigend terwijl ik oogcontact vermijd. ‘Ik heb al contact gehad met het Zorgkantoor, de SVB en de zorgverzekering. De aanvraag voor de herindicatie gaat maandag op de post, dus dat wordt allemaal geregeld.’ De toekomstige persoonlijk woonbegeleidster van mijn zoon knikt verrast. ‘Wat fijn dat je daar zo in thuis bent dat je alles al aan het regelen bent.’ De andere vrouw aan tafel kijkt me peilend aan. Haar ken ik al een tijdje, ze is de persoonlijk begeleidster van de dagbesteding. ‘Gaat het wel Maaike?’ Ik knik met strak aangespannen kaken. ‘Ja hoor, het gaat prima.’

Ik weet al dat ik vandaag heel vroeg en uitgebreid ga douchen.

Deel 1

2004

Het is drie maanden voor mijn 22e verjaardag en de zuster staat met haar rug half van me afgedraaid. ‘Ik zou zweren dat hij z’n moeder strak aanstaart,’ zegt ze half lachend tegen degene die naast haar staat. Even later legt ze mijn zojuist geboren oudste zoon in mijn armen en ik word naar de afdeling gebracht. De bevalling was lang en moeilijk, we zijn allebei moe.

Ik weiger echter pertinent om hem naar de baby-unit te laten brengen, ondanks aanvankelijk protest van mijn kamergenoten. De hele nacht kijk ik naar hem. ‘Ik zal je nooit in de steek laten,’ fluister ik in het geplakte haar van dit halve metertje nieuwe mens. ‘Ik zal de allerbeste moeder proberen te zijn die ik kan zijn.’ Mijn zoon krijgt er niks van mee en slaapt tevreden tegen me aan.

Nu

Het is een maand voor mijn 35e verjaardag en de vrouw voor me staat met haar rug half van me afgedraaid om een deur open te doen. ‘Dit is dan de kamer,’ zegt ze opgeruimd. ‘Lekker ruim wel hè?’ Ik knik mechanisch. Een belofte die ik maakte aan de baby op mijn buik, dringt zich aan me op en ik probeer wanhopig om mijn emoties onder controle te krijgen. ‘Je wilde ook een eigen toilet toch?’ vraagt de vrouw. Weer knik ik, omdat ik niet zeker ben van een vaste stem. De vrouw loopt voor me uit. ‘Loop maar even mee, dan kunnen we alles officieel in gang zetten.’

Stilletjes lig ik in bed te huilen als ik zijn voetstappen hoor. Haastig veeg ik de tranen weg. ‘Mag ik bij jou, mama?’ Zijn wangen zijn rozig van de slaap en zonder een antwoord af te wachten kruipt hij naast me in bed. Voorzichtig aai ik over zijn stugge zwarte krulhaar. ‘Het spijt me zo,’ fluister ik zo zachtjes mogelijk. ‘Het spijt me zo verschrikkelijk, maar ik kan niet meer.’ Mijn 13-jarige zoon krijgt er niks van mee en slaapt tevreden naast me. Nog wel.

Identity as a problematic category of practice.