Het stille kind

Twaalf en een half jaar geleden geleden lag ik in het ziekenhuis. Op gynaecologie, helemaal achterin de gang. Dat was fijner voor me, zei de zuster. De ruggenprik werd verkeerd gezet, het deed pijn maar het was fijn om iets te voelen op een bepaalde manier. Mijn hoofd was al drie dagen volledig verdoofd. Terwijl het gevoel uit mijn benen verdween keek ik wezenloos naar de witte muur. Er waren mensen bij me maar ik kon ze niet aankijken. Hun medelijden was teveel. 

Ik was pas 20, achteraf nog zo ontzettend jong. Maar dat zou het wel makkelijker maken om het een plekje te geven zeiden ze. Ik weet nu dat dit niet waar was. Na heel kort of heel lang liggen voelde ik in me een ballonnetje knappen. Het was een heel mooi kindje volgens de zuster en helemaal gaaf. Toen durfde ik pas te kijken. Even later hield ik vol liefde en pijn mijn dochter van 20 centimeter in mijn armen, zo klein maar met alles erop en eraan. Ze was stil, zo oorverdovend stil. Ik niet. Ik huilde als een wolf, met lange uithalen vol de snijdende pijn van een aan stukken gescheurde ziel. Ik was moeder geworden. Moeder van een dochter die nooit zou opgroeien. De zuster veegde haar tranen weg toen ze binnenkwam. De kamer achterin de gang was een goed idee.

Twaalf en een half jaar geleden strompelende ik het ziekenhuis uit. Alleen. Mijn baby had ik achtergelaten, ze zou op een veldje van het ziekenhuis worden verstrooid. Ik weet nu dat dit niet waar was. Ik twijfel achteraf zelfs of dat is wat ze zeiden. Het was beter om haar daar te laten, dat zeiden ze in ieder geval wel en ik wist het allemaal niet. Ik was jong en in de war en ik wilde dat mijn borsten stopten met denken dat er iets te voeden was. Mijn baby was dood en op dat moment was ik dat ook.
Oh, ik ging wel door met leven. Ademen en zo. Ik werd zo snel mogelijk weer zwanger en ik heb nooit meer intense dankbaarheid ervaren dan het moment waarop mijn oudste zoon 15 maanden later huilend ter wereld kwam. Levend, een levend kind. Dat was alles wat ik nog wenste die 15 maanden. Ik zou dit kind nooit in de steek laten, nam ik me heilig voor terwijl ik voorzichtig over zijn zwarte haren streek.

Ik kreeg nog een zoon maar ik bleef haar zo missen. Ik belde het ziekenhuis en deed me voor als studente, om te vragen wat er gebeurt met een kindje na een interuterale vruchtdood. Die werden verbrand met het andere menselijke afval, zei de mevrouw. Afgezette ledematen en tenen en zulk soorts. Afval. Met de telefoon nog in mijn hand liet ik me op de grond zakken en ik huilde zoals ik huilde toen ik haar in mijn armen kreeg. Mijn dochter was afval. Er was geen veldje. Ik had haar bij het afval gezet. Wat voor een moeder en excuus van een mens was ik nou helemaal? Hoewel al jaren niet meer belijdend sloeg ik een kruis en bad ik om vergiffenis, zoals ik nog honderden keren zou doen. 

Nog steeds, twaalf en een half jaar en een derde zoon later, mis ik haar. Ik vraag me af hoe ze er nu uit zou zien, hoe ze zou zijn. Als ik een ding in mijn leven mocht terugdraaien dan zou het ‘t moment zijn dat ik zonder haar het ziekenhuis verliet. Dan zou ik terug zijn gestrompeld en hebben geëist dat ik mijn kind in haar mandje op haar witte kussentje met het beertje dat ik voor haar had gekocht, bij me mocht hebben. Dan had ik me niets aangetrokken van de bewering dat ik een kind na een zwangerschap van minder dan 24 weken niet zou kunnen laten begraven of cremeren. Ik weet nu dat dit niet waar is en de nachten dat ik niet kan slapen en aan haar denk, bid ik nog steeds om vergiffenis. 

Tinder

‘En wat brengt jou op Tinder?’ Geagiteerd druk ik het gesprek weg. Deze is af, net als de 26 voor hem die hetzelfde vroegen. Eenheidsworst. Het is niet dat ik het niet geprobeerd heb. Zeven weken om exact te zijn. Het is ook niet dat ik geen matches had, toen ik mijn profiel zojuist verwijderde stonden er nog 61 matches en het moeten er in totaal tot ver over de 70 zijn geweest in die zeven weken. Nee, dat is het allemaal niet. Het is de leegheid.
Dezelfde vragen, dezelfde antwoorden. Steeds weer. En het liefst zo snel mogelijk afspreken natuurlijk, bij voorkeur iets waarvoor je je lichaamsbeharing wat trimt. Niet dat ik iets tegen seks heb, niet in het minst zelfs. Ik durf zo ver te gaan het een hobby te noemen. Maar ik heb Tinder niet nodig om seks met random mannen te zoeken. 
En of ik dan eerst wat ‘leuke’ foto’s van mezelf kan sturen. Niet via Tinder want dat gaat niet via die app. Maar Tinder schijnt vooral bij mannen verbazingwekkend vaak vast te lopen en heel moeilijk te werken, ook al gebruiken ze het al drie jaar. Of we kunnen appen want dat is toch wel handiger. Geen idee waarvoor precies. Ja, op die foto’s na natuurlijk.

Voordat jullie denken dat dit een ‘alle mannen zijn kut’ stukje wordt (waarmee ik niet claim dat die bewering onwaar is), er waren een paar leuke matches. Mannen waarmee het wel klikte en ik hele leuke gesprekken had en zelfs hier en daar een date. Ook ben ik wat anekdotes rijker. Zo was er de man die vroeg hoe ik dacht over trouwen en hoe dat dan gaat in Nederland om een verblijfsvergunning te krijgen. Of de man die wel zeker wilde weten of ik nog meer kinderen wilde en hoe ik wist dat ik nog steeds vruchtbaar ben. De man die had bedacht dat als je de Tinder app aanzet je vanzelf in de buurt van mijn huis komt, al is dat best ver rijden vanaf Amsterdam (op de app kun je zien hoe ver iemand bij je vandaan is tot op een kilometer nauwkeurig). De man die vroeg of ik wel wist dat mijn bescheiden tattoo op m’n tachtigste nog te zien is en of dat niet een beetje ondoordacht was. De man die gul mededeelde dat de eerste twee consumpties voor zijn rekening waren. Of de man die vroeg of hij naar m’n huis mocht komen omdat hij een hele stoute jongen was en straf verdiende. Nee, dat was het allemaal niet. Het was de leegheid. De ondraaglijke leegheid van Tinder.

Het is het gedachteloos blijven swipen, want misschien is de volgende wel leuk. Of die daarna. En anders vast de daaropvolgende. Het zijn de mannen die allemaal van sushi, wijn en sporten houden. Ik ben van alledrie niet bijzonder gecharmeerd. Sue me. Het zijn de gesprekken die stilvallen als je over politiek begint. Of wanneer zij boude uitspraken doen over wachtgeld, vluchtelingen of moslims (niet persé in die volgorde) en daar niks op zeggen als je vraagt waarop die overtuigingen eigenlijk gestoeld zijn. Het moet wel gezellig blijven hè. Of ik wit of rood drink en we samen een filmpje kunnen kijken een keer. Bij hem thuis dan. Of ik dan eerst misschien wat leuke foto’s van mezelf kan sturen via Whatsapp want Tinder loopt zo vaak vast…

Identity as a problematic category of practice.